SCHOTLAND

SCHOTLAND

De ‘Schotse Ruit’: in 11 dagen door Schotland

Er zijn landen en streken die jarenlang op je vakantie-verlanglijstje kunnen staan zonder ooit veel hogerop te komen. Het is te duur, te koud, te afgelegen. Tot het er zomaar ineens van komt. Schotland is zo’n land.

Al jaren trokken de highlands en de ruige natuur, maar altijd was er dat “weer”, waardoor wij Reizigers uiteindelijk toch anders kozen. Maar nu is het zover: we besluiten een rondreis – of beter gezegd: een Schotse ruit – van elf dagen te maken door The Border, de Highlands en de Lowlands, langs Edinburgh en min of meer bij toeval Glasgow. Het wordt een rondje langs kastelen en door whiskystreken en nationale parken, want het is werkelijk onmogelijk die in Schotland te missen (en zo hoort het ook). Maar het is ook een reis langs filmlocaties voor Harry Potter,  Braveheart, The Crown en De  Da Vinci Code.

We maken de Schotse Ruit met de klok mee: van zuid (Peebles) naar west (Drymen en Oban) en van noord (Forres) naar oost (Edinburh via Dinnet). En dat begint voor ons bij Newcastle, waar we met de ferry – vanuit IJmuiden in een nachtje overvaren – voet op het Britse koninkrijk zetten en aan de linkerkant van de weghelft op ontdekkingstocht trekken. We hebben er speciaal de maand mei voor uitgekozen. Niet te koud, we missen dan ook niet elders de zomer en mocht het anderhalve week regenen, waar we wel enigszins bevreesd voor zijn, dan is dat in dit jaargetijde ook geen ramp. Om maar gelijk met dat idee korte metten te maken: we hebben geluk en genieten op negen van de elf dagen van meer dan redelijk tot heerlijk weer, wat voor ons het verblijf toch echt een stuk aangenamer maken.

Vanaf Newcastle upon Tyne doen we de eerste dag twee van de vier abdijstadjes aan. Even voor de duidelijkheid: wij Reizigers doen aan cultuur, maar met enige mate. Wij houden vooral van genieten. Dus zijn we net zo onder de indruk van een lekkere scoon bij het plaatselijke winkeltje als van vervallen kloosters en abdijen uit de Middeleeuwen. En zien we minstens zo sterk uit naar een lunch op een van de landgoederen. Maar het is wel mooi dagelijks een doel te hebben en dat zijn om te beginnen dus de abbeys van Kelso en Melrose. Het zijn ruïnes, maar Melrose is indrukwekkender vanwege zijn geschiedenis met Robert the Bruce (kort samengevat: vergeet de film Braveheart, hij is min of meer vergelijkbaar met de Willem van Oranje van Schotland).

Een hengeltje uitwerpen

De eerste Schotse nacht brengen we door in Peebles in het op de heuvels gelegen Hydro Hotel. Het is wat statige oude sjiek, maar met ruime kamers en een prima keuken. We besluiten dat het leuk is om de volgende dag op zalm en forel te gaan vissen. Niet dat we dat ooit hebben gedaan, laat staan dat we er enige kennis van hebben, maar Peebles ligt aan de Tweed en dat is een rivier die beroemd schijnt te zijn om zijn hengelaars. Het wordt een uitje dat weer eens heel anders is dan anders en dus staan we allebei met lieslaarzen aan midden in de Tweed met onze werphengels te zwiepen. We rijden naar Glasgow voor een “middagbreak”. Het is een zonovergoten dag, dus lunchen we hartje stad – oftewel in Merchant City in de buurt van George Square – op een terras. Dan rijden we nog een klein uurtje door naar Drymen dat bij het Loch Lomond and Trossachs National Park ligt. Dat is

een fraai wandelgebied met veel water. We logeren twee nachten in Drymen in de Bucanan Arms. Dat blijkt de grootste vergissing van de vakantie. Het is een hotel, waar we beter geen woorden aan vuil kunnen maken, zo hulpbehoevend zijn zowel de kamers als het personeel. Volstrekt onder de maat. Sfeervoller en smakelijker is de lokale pub, waar we de whisky van Glengoyne proeven. Die smaakt zo goed dat we, wanneer we weer verder reizen, eerst een kijkje gaan nemen bij de distilleerderij die maar een luttel kwartiertje verderop blijkt te liggen.

Betreedt de wereld van de whisky's, hier bij GlengoyneZo betreden we de wereld van de Schotse single malts. Het aardige van Glengoyne is dat ze kleinschalig is, zoals er overigens zoveel stokers zijn in Schotland. Met andere woorden:  laat grote, bekende jongens als de Famous Grouse, Johnnie Walker of Grant’s die in Europa opgeld doen, lekker voor wat ze zijn. Klein is fijn, hoewel daar natuurlijk altijd wel een uitzondering op is. De Scotch Whisky Experience,in Edinburgh, een soort “Disney World van de sterke drank”, waar je op een speelse en toch interessante wijze met ’s werelds beroemdste Schotse drank wordt geconfronteerd. Het is ondertussen halverwege de vierde dag, wanneer we na de distilleerderij in westelijke richting langs diverse meren, de lochs, rijden.

Op weg naar havenplaatsje Oban doen we Inveraray Castle aan. Schotland telt een ongekende hoeveelheid ruige kastelen, maar als je een kasteel met “Assepoester-uitstraling” wilt, ben je daar in een fraai aangelegd park aan het goede adres. Alleen de prinsessen ontbreken, verder is alles – servies, wapenarsenaal, keuken, kamers – zoals je in je fantasie een royaal paleisje voorstelt. En net als in vele kastelen kun je er lekker lunchen met scoons of sandwiches. De dag eindigt in een nat Oban. Het is er druk. Veel toeristen pakken hier de ferry naar de nog westelijker gelegen eilanden. Wij hebben andere plannen. We eten deze en de volgende avond in restaurant Coast. Alles draait hier om vis, dus vis zullen we eten. En we worden niet teleurgesteld, al is het wel handiger vooraf te reserveren. Maar ja, dat is niet altijd eenvoudig als je pas een uurtje eerder bent gearriveerd.

Alleen op de wereld in de highlands

Het is wandeldag. Eerst van ons hotelletje naar Dunolly castle voor een kop koffie. Vervolgens pakken we de auto en trekken via de A828 en A82 die vanaf Glasgow naar Inverness leidt,  noordelijk de Highlands in. We passeren Dunstaffnage Castle (gewoon links laten liggen) en Castle Stalker dat je al vanaf de weg ziet liggen en uitnodigt tot een tussenstop, omdat het zo fotogeniek op een eilandje ligt. In de omgeving van Clencoe willen we gaan wandelen, halen een kaart van de omgeving in het Glencoe Visitor Centre, trekken onze wandelschoenen aan, stoppen een lunch in de rugzak, kiezen een stopplek langs de A82 uit en raken vervolgens verzeild in een bergbeklimming. Als niet heel ervaren wandelaars is dat een pittige klim, maar wel schitterend. We genieten met volle teugen van het ruige landschap. En zoals op veel plekken in Schotland kun je je er lange tijd alleen-op-de-wereld wanen en geloven dat dat weidse berglandschap helemaal aan jou toebehoort. Buiten ons zicht blijft vandaag Ben Nevis, met ruim 1300 meter de hoogste berg in de Highlands. Eigenlijk ligt Glencoe net buiten het nationale natuurgebied Cairn Gorm dat zo’n beetje het hart van het land is.

Een dag later, als we Oban al weer verlaten, volgen we deels dezelfde route. Dat is geen straf, want het dal en de oevers van alle lochs waar de A82 langsgaat is prachtig. We slaan even af naar Glenfinnan om het viaduct met de Jacobite Steam Train te zien.  Dat staat tegenwoordig bekend als de Harry Potter trein en dus is het er ’s ochtends rond elven een drukte van belang. Zeg maar een chaos van auto’s, omdat er nauwelijks parkeerplek is en veel toeristen (net als wij) niet goed weten waar je moet zijn en je auto kwijt kunt. Het is een indrukwekkend viaduct maar tegen de tijd dat wij er een blik op werpen, is de stoomtrein al weer uit het zicht verdwenen. Wie de wereld van Harry Potter er wil aanschouwen, moet dus tijdig op pad. Want de onnozele gedachte van deze twee Reizigers dat er in mei vast niet veel volk op de been zal zijn, was nogal naïef.

Een echte afknapper is pas Loch Ness. Je kunt Schotland natuurlijk niet aandoen zonder bij het beroemdste meer op bezoek te zijn geweest, maar indrukwekkend wordt “Nessies hometown” het  geen moment. Al moet worden gezegd dat de Caledonian Canal bij Fort Augustus aardig vermaak biedt. We kopen wat broodjes en drinken bij de supermarkt van Fort Augustus en zetten ons langs het kanaal. Via vijf sluizen, wat trekken en duwen kunnen plezierbootjes afzakken naar Loch Ness. En dat is een attractie op zich en gebeurt in ruime mate. We rijden langs het eigenlijk nogal saaie meer verder omhoog. We stoppen even om van een afstandje de ruïnes van Urquehart Castle te zien. Dat volstaat en bij Inverness aangekomen slaan we rechtsaf om de kustlijn te volgen en bij Forres een voor het eerst echt prettig én zonovergoten hotelletje aan te treffen.

Knockomie Hotel heeft een mooie, ruime tuin, dito kamers en een aantrekkelijk diner, maar van een terras hebben ze hier in het hoge noorden nog nooit gehoord zo lijkt het, terwijl het toch echt een graadje of 25 is geworden. En wat we niet wisten: we zitten nu zo noordelijk dat de zon pas tegen tienen ’s avonds ondergaat. Dus worden we zo op een lange, zomerse dag getrakteerd. En ook de volgende dag schijnt de zon hier alsof we in mei in Italië verblijven. Dus willen we vandaag vooral langs de kust zijn. Findhorn ligt vlakbij aan een baai, waar buitengaats bij eb zeehonden vertoeven, en we zullen er later op de dag lekker eten en de zon zien ondergaan. In Lossiemouth vinden we iets wat strand moet voorstellen. Wat minder lastig te vinden is: whisky(distilleerderijen). Je vindt ze overal in Schotland maar het achterland bij Forres, Speyside geheten, is wel heel dik bezaaid met stokers. Bekende jongens zoals Glenfiddich, Glen Grant en Glenlivit komen hier vandaan, maar onze favoriet is de Glenrothes in een sierlijke, bolle fles.

Naar het buiten van de queen

Na twee dagen in het noorden is de reis op dag 8 op tweederde en zakken we weer wat af. Dat gaat dwars door het nationale park Cairn Corm met overweldigende vergezichten en ruige wandelgebieden. Daar ligt ook Balmoral, het “koninklijk buiten” van Queen Elizabeth als ze in Schotland is (ook bekend van tv-series als The Crown dat de moeite waard is om te bekijken). En het moet gezegd: dat is wel even iets anders dan paleis Soestdijk. Het landgoed ligt goed afgeschermd op een  parkachtig terrein met grote grasvelden. Beetje jammer is wel weer dat je maar een klein stukje van het paleis van binnen mag bekijken, maar het maakt desondanks de moeite van een bezoek waard. We logeren een kwartiertje verderop, in Dinnet in het Loch Kinord Hotel. De kamer heeft iets Victoriaans, maar is met het hemelbed (een upgrade) wel gelijk vol. Het prettige van dit hotel is dat de keuken typisch Schotse, maar wel culinaire lekkernijen serveert. Zo hebben we de eerste avond black pudding als voorgerecht en op de tweede kiezen we voor haggis, zo’n beetje het nationale gerecht. Het oogt niet allemaal even smaakvol, vooral erg donker, maar het smaakt wel prima.

Je kunt Cairn Gorm niet overslaan. Sterker nog, je kunt het niet missen. Het is een enorm, centraal gelegen natuurgebied dat je Schotland laat zien precies zoals je het je voorstelt: ruige heuvels en koele meren, eindeloos en uitgestrekt en vaak desolaat. We kiezen ervoor om bij Ballater de “grote weg” te verlaten en rijden langs de River Dee naar Glen Muick en het ydillische Loch Muick, waar in de buurt de koninklijke familie nog wel eens schijnt te willen jagen. Ons plan is om van Loch Muick naar een volgend loch wandelen. Al snel zien we een roedel herten op afstand. We ontmoeten onderweg ook enkele fanatieke wandelaars die dagtochten maken. Met andere woorden: met onze onervarendheid op wandelgebied blijft het allemaal wat behelpen en komt top na top geen meer in zicht. Wat geenszins wil zeggen dat wij “mooi-weer-Reizigers” niet alle uren en met volle teugen genieten van het glooiende landschap en de weidse vergezichten. xxxxxxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxxxxxxxx We zakken verder terug naar ons laatste reisdoel. Na alle natuur en kleinschaligheid hebben we dringend behoefte aan stadse drukte. We sluiten de elfdaagse Schotse Ruit-reis af met twee dagen Edinburgh. Hier nu vooral de highlights, elders op zoveeltezien.nl (komt) meer over de Schotse hoofdstad. Het prettige van de reis is dat de afstanden schappelijk zijn, zodat er altijd voldoende tijd is voor extra stops of uitstapjes. Zo rijden we eerst nog naar Stonehaven en de beroemde ruïnes van Dunnottar Castle dat op de klippen langs de kust ligt. Voorzichtig raak je wel uitgekeken op al die historische bouwvallen, maar dit is er weer een die wel wel gezien wilden hebben. Geheel per toeval belanden we op nog zo’n historische plek. We hebben nogal zin in een lunch en eigenlijk vind je vrij weinig op weg, waar het aardig toeven is. Tot we een bordje “Scone Castle” zien staan. We zijn in anderhalve week dol op scones geworden, dus dat treft. We zullen ons even later inderdaad aan de scones zetten, maar het kasteel blijkt voor Schotten een historische plek. Bij de zogeheten Stone of Scone werden eeuwenlang Schotse koningen gekroond. Het landgoed is fotogeniek en de moeite waard.

En dan duikt Edinburgh uit het niets op uit de Schotse mist

En zo bereiken we Edinburgh, in een plotsklaps opduikende, typisch Schotse mist. We zien daardoor niks van de opvallende spoorbrug Forth Bridge bij Queensferry als we de stad inrijden. Zoals wij Reizigers bij voorkeur doen, hebben we een hotel geboekt in het hartje van de stad en één zijstraatje van de “Royal Mile” vandaan. Motel One ligt uiterst centraal, vlakbij het station en is bovenal hip en misschien een beetje overvol (zodat het bijvoorbeeld bij het prima ontbijt zoeken is naar een plaatsje). Edinburgh bruist: van de drukke Lawn Market oftewel de Royal Mile die je linea recta naar het hoog boven de stad uit torende Castle brengt, Victoriastreet met zijn kleurrijke gevels en de Grass Market, waar je in de pubs je aan de pints en bitters zet tot aan de laaggelegen stadspark van Princess Street Gardens en het fotogenieke Deanville dat een soort dorp in de stad is. Op de twee avonden eten we haggis (the best in town…) bij Arcade en Italiaans bij La Locanda, allebei in Cockburnstreet. En op Deanville na ligt alles ook nog eens in de buurt van Motel One.

Iets buiten Edinburgh, als we de volgende dag de terugweg pakken naar Newcastle en de ferry, ligt Roslin. Wie liefhebben is van de boeken van Dan Brown kan daar niet aan voorbij gaan. Zijn bestseller De Da Vince Code eindigt in namelijk in Roslin. Het is eigenlijk een niet noemenswaardig gehucht, waar de – dankzij Brown nu wereldberoemde – Rosslyn Chapel staat. Het mystieke kerkje heeft nu een bezoekerscentrum gekregen, want waan je er niet alleen, maar is zeker een bezoekje waard.

 

 

(Bezocht in mei 2018)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.